Hoe kinderen en volwassenen leren en wat de wugtest over grammatica onthult

Kinderen leren lopen, praten en fietsen zonder ooit een handleiding open te slaan. Volwassenen willen meestal eerst de handleiding. Geen van beide is fout: kinderen en volwassenen leren gewoon anders. En als het om een nieuwe taal gaat, maakt dat verschil meer uit dan de meeste mensen denken.
Hoe kinderen leren
Kinderen leren door te doen. Ze proberen iets, vallen, lachen en proberen het opnieuw. Niemand legt een vierjarige op de fiets uit wat evenwicht is; het kind fietst gewoon tot het lukt. Het meeste van dat leren gebeurt zonder dat het kind het zelf merkt. Onderzoekers noemen dat impliciet leren: het brein pikt patronen op uit ervaring, zonder dat iemand ze aanwijst.
Baby’s zijn daar verbazend goed in. In een bekend experiment luisterden zuigelingen van acht maanden maar twee minuten naar een stroom verzonnen lettergrepen. Daarna konden ze al onderscheiden welke lettergrepen als “woorden” bij elkaar hoorden, puur op basis van hoe vaak die lettergrepen op elkaar volgden (Saffran, Aslin en Newport, 1996).
Kinderen hebben bovendien twee dingen mee: tijd en onbevangenheid. Een kind is jarenlang omringd door mensen die voordoen, herhalen en verbeteren, en heeft verder weinig te doen. En fouten maken vindt een kind niet erg.
Hoe volwassenen leren
Volwassenen leren anders. Ze zuigen zelden zomaar iets op. Ze willen begrijpen. Ze koppelen nieuwe kennis aan wat ze al weten, kunnen een uitleg volgen, meerdere stappen tegelijk in hun hoofd houden en nadenken over hoe ze zelf het best leren. Niemand leert autorijden door jarenlang in een auto te zitten en toe te kijken. Je neemt rijles, leert de verkeersregels en wat elk pedaal doet, en oefent dan tot alles vanzelf gaat.
Daar staat tegenover dat volwassenen minder tijd en meer afleiding hebben, en vaak banger zijn om fouten te maken. Hun kracht is begrijpen, en ze leren het snelst als ze die kracht mogen gebruiken.
Wat dit betekent voor talen
Nergens is het verschil zo duidelijk als bij taal. Elk kind leert zijn moedertaal zonder ook maar één grammaticales. Het hoort zijn taal duizenden uren voordat het een hele zin zegt: aan het ontbijt, in bad, bij het slapengaan, dag in, dag uit. Daarom denken veel volwassenen dat ze een nieuwe taal “als een kind” moeten leren, gewoon door te luisteren en na te doen.
Maar wie als een kind wil leren, heeft ook de jaren van luisteren nodig die een kind heeft. Om te zien wat volwassenen in plaats daarvan kunnen doen, helpt het om te kijken wat kinderen eigenlijk overhouden aan al die uren. Een klein blauw vogeltje uit 1958 laat het zien.
Een vogel die wug heet
In 1958 publiceerde de Amerikaanse psycholinguïst Jean Berko, nu bekend als Jean Berko Gleason, een onderzoek dat een van de bekendste uit de taalwetenschap zou worden. Ze liet kinderen van vier tot zeven jaar eenvoudige tekeningen zien van wezens en bezigheden die niet bestonden. Op een van de kaarten stond een klein, vogelachtig figuurtje: “This is a wug.” Op de volgende kaart stonden er twee: “Now there is another one. There are two of them. There are two ___.”
De kinderen zeiden “wugs”. Op een andere kaart stond een man die “knows how to rick”, en gisteren deed hij precies hetzelfde. Wat deed hij gisteren? “He ricked.”
Dat klinkt als een kleinigheid, maar dat is het niet. Geen van de kinderen kon deze woorden ooit eerder gehoord hebben, want Berko had ze zelf verzonnen. Er viel niets na te zeggen. Om “wugs” te zeggen, moest een kind een regel kennen (bij meer dan één komt er -s achter) en die toepassen op een woord dat het voor het allereerst hoorde. Kinderen verzamelen niet alleen woorden. Ze verzamelen regels. Je kunt het zelfs horen: op een gegeven moment zeggen Nederlandstalige kinderen “loopte” in plaats van “liep” en “geslaapt” in plaats van “geslapen”. Ze hebben een regel gevonden en passen hem nu overal toe, ook waar hij niet hoort.
Probeer het zelf
Hier zijn twee verzonnen woorden, gemaakt zoals Berko de hare maakte, dit keer in het Nederlands. Zet ze allebei in de vorm die de zin nodig heeft. De test werkt het best als Nederlands je moedertaal is, want dan laat hij zien wat je weet zonder dat je het ooit hebt geleerd.
Jouw wugtest
Twee woorden die nog nooit iemand heeft gebruikt. Zet ze allebei in de vorm die de zin nodig heeft.
Dit is een wug. En daar is er nog een.
Deze man kan snoffen. Nu snoft hij.
Je kent de regels, ook als je ze nooit hebt geleerd
Had je ze allebei goed? Moedertaalsprekers hebben ze bijna altijd goed, vaak zonder er ook maar een seconde over na te denken. Vanzelfsprekend is dat niet: de kinderen van Berko hadden moeite met sommige woorden. Bij “tass” zeiden veel van hen “two tass”, en de meesten konden van “bod” nog geen “bodded” maken. Sommige delen van het systeem vallen pas laat op hun plek.
En toch had je de regel vóór de test waarschijnlijk niet kunnen uitleggen. De vorm van een woord dat niet bestaat, kun je onmogelijk uit je hoofd hebben geleerd. Je hebt die vorm zelf gemaakt, en daarvoor moest je een regel toepassen. Veel mensen zeggen dat ze “slecht zijn in grammatica”. De wugtest laat het tegendeel zien: een taal kennen betekent de regels ervan kennen, of je ze nu kunt benoemen of niet.
Waarom volwassenen de regels moeten leren
Als kind heb je de regels van je moedertaal zelf opgebouwd uit jaren van luisteren. Leer je als volwassene een nieuwe taal, dan heb je die jaren niet. Maar je hebt wel iets wat kinderen niet hebben: iemand kan je een regel uitleggen, en jij kunt hem meteen gebruiken. Onderzoek laat zien hoe groot dat voordeel is.
- Toen Engelstalige gezinnen naar Nederland verhuisden, gingen de tieners en volwassenen er in de eerste maanden sneller op vooruit in het Nederlands dan de jonge kinderen. De jongste leerders, van drie tot vijf jaar, scoorden het laagst (Snow en Hoefnagel-Höhle, 1978).
- Een overzicht van 49 studies naar taalonderwijs liet zien dat leerders die de regel uitgelegd kregen, duidelijk meer vooruitgingen dan leerders die alleen voorbeelden zagen (Norris en Ortega, 2000). Een later overzicht van 41 studies kwam tot dezelfde conclusie, zowel voor eenvoudige als voor complexe grammatica (Spada en Tomita, 2010).
- Van de Hongaarse immigranten in de Verenigde Staten die als volwassene waren gekomen, beheersten maar weinigen de grammatica net zo goed als immigranten die er als kind waren komen wonen. Die weinigen hadden één ding gemeen: een groot talent om taal te analyseren (DeKeyser, 2000). Volwassenen die de top halen, komen daar door te begrijpen, niet door alles als een kind op te zuigen.
Waarom de regel eerst moet komen
Een volwassene die alleen van voorbeelden leert, moet de regel erachter raden. Soms is die gok goed. Vaak maar half. Wie Spaans leert, hoort libros, casas en mesas en concludeert dat je in het Spaans voor het meervoud gewoon een -s toevoegt. Dan komen papeles en ciudades, en valt die gok in duigen.
En elke gok wordt geoefend. Het brein versterkt wat we herhalen: elke keer dat je een vorm gebruikt, wordt de verbinding erachter een beetje sterker, of die vorm nu goed is of fout. Oefen je maandenlang een verkeerde gok, dan slijt er een verkeerd pad in dat je later weer moet afleren, en afleren is moeilijker dan leren. Begin je met de regel, dan versterkt elke zin die je maakt vanaf de eerste dag het juiste patroon. De voorbeelden doen dan waar ze het best in zijn: ze maken van de regel een gewoonte, tot hij net zo makkelijk komt als je antwoorden in de test hierboven.
Regels vervangen voorbeelden dus niet. Ze geven voorbeelden een richting. Kinderen hebben jaren nodig om de regels te ontdekken in wat ze horen. Volwassenen kun je ze gewoon vertellen, en dat scheelt hun die jaren.
Zo brengt LENGO dit in de praktijk
Daarom begint elke grammaticales in LENGO met de regel: een korte uitleg, dan voorbeelden, dan oefeningen waarin je de regel zelf toepast, precies zoals in de wugtest. De woorden die je leert, komen terug met steeds langere tussenpozen, net voordat je ze zou vergeten. Zo groeien regels en woordenschat samen. Je kunt de grammaticalessen voor alle 29 talen hier op de website bekijken.
Vind je jezelf de volgende keer slecht in grammatica, denk dan aan de wug. Je kent al meer regels dan je denkt. Leer de volgende, oefen hem, en voor je het weet gaat ook die vanzelf.
Bronnen
- Berko, J. (1958). The child's learning of English morphology. Word, 14, 150-177.
- Saffran, J. R., Aslin, R. N., en Newport, E. L. (1996). Statistical learning by 8-month-old infants. Science, 274(5294), 1926-1928.
- Snow, C. E., en Hoefnagel-Höhle, M. (1978). The critical period for language acquisition: Evidence from second language learning. Child Development, 49(4), 1114-1128.
- Norris, J. M., en Ortega, L. (2000). Effectiveness of L2 instruction: A research synthesis and quantitative meta-analysis. Language Learning, 50(3), 417-528.
- Spada, N., en Tomita, Y. (2010). Interactions between type of instruction and type of language feature: A meta-analysis. Language Learning, 60(2), 263-308.
- DeKeyser, R. M. (2000). The robustness of critical period effects in second language acquisition. Studies in Second Language Acquisition, 22(4), 499-533.
App
Talen
Verhalen
Word maker
Uitgelicht-programma
Partnerprogramma
Bètaprogramma
one sec × LENGO
Contact & hulp
Over LENGO
Team & vacatures
Perskit
Privacy
Voorwaarden

