Dutch · Verbs in Present tense
Zetten, leggen, stoppen, hangen: Putting Things
To say where you put something, Dutch looks at the position it will end up in. Each verb goes with a position verb:
- zetten → it will staan (upright): Ik zet de vaas op tafel.
- leggen → it will liggen (flat): Ik leg de krant op tafel.
- stoppen → it will zitten (inside): Hij stopt zijn portemonnee in zijn zak. For putting things into something, everyday Dutch also uses doen: Ik doe het geld in mijn tas. Into a pocket or an envelope, steken is common too.
- hangen → it will hangen: Ik hang mijn jas aan de kapstok.
Forms: ik zet, hij zet (no second t), leg/legt, stop/stopt, hang/hangt. Past participles: gezet, gelegd, gestopt, gehangen (or opgehangen from ophangen).
Examples
- Zet de melk maar op tafel.
- Leg je jas niet op de grond!
- Ik stop de sleutels in mijn tas.
- We hangen de lampjes in de tuin.
- Ik heb het boek op je bureau gelegd.
Try it yourself
Ik de vaas met bloemen op tafel.Show answer
Ik zet de vaas met bloemen op tafel.
Ik je telefoon op de bank.Show answer
Ik leg je telefoon op de bank.
Ik de brief in de envelop.Show answer
Ik stop de brief in de envelop.
Ik de handdoek aan het haakje.Show answer
Ik hang de handdoek aan het haakje.
Mama de pan op het fornuis.Show answer
Mama zet de pan op het fornuis.
Zij een schoon laken op het bed.Show answer
Zij legt een schoon laken op het bed.
Ze elke week twee euro in haar spaarpot.Show answer
Ze stopt elke week twee euro in haar spaarpot.
Mijn moeder de was buiten aan de lijn.Show answer
Mijn moeder hangt de was buiten aan de lijn.
Hij zijn fiets altijd tegen de muur.Show answer
Hij zet zijn fiets altijd tegen de muur.
Papa de baby in de wieg.Show answer
Papa legt de baby in de wieg.
App
Languages
Stories
Become a creator
Featuring program
Affiliate program
Beta program
one sec × LENGO
Contact & help
About LENGO
Team & jobs
Press kit
Privacy
Terms