Skip to content
Dutch · Verbs in Present tense

d, t or dt: Present Tense

In the present tense, jij, u, hij, zij and het get stem + t, and ik gets just the stem. If the stem already ends in -d, you still add the t, so you write dt, although you only hear a t.

  • worden: ik word, jij wordt, u wordt, hij wordt, plural worden
  • In a question, jij/je comes after the verb and loses the t: Word jij? Vind je? But u and het keep it: Wordt u? Wordt het?
  • After dat or of, jij comes before the verb: ... of jij het leuk vindt.
  • houden also has a short ik-form: ik houd or ik hou.

If the stem ends in -t (zetten, praten, laten), there is never a second t: hij zet, zij praat.
Tip: say the sentence with lopen. Hij loopt → hij wordt; Loop jij? → Word jij?

Examples

  • Ik word morgen twintig.
  • Wordt het vandaag warm?
  • Vind jij dit ook lekker?
  • Hij houdt van voetbal.
  • Zij zet de tas op de grond.

Try it yourself

Ik (worden) altijd zenuwachtig voor een examen.Show answer
Ik word altijd zenuwachtig voor een examen.
Hij (worden) morgen dertig.Show answer
Hij wordt morgen dertig.
(Worden) jij ook zo moe van dit weer?Show answer
Word jij ook zo moe van dit weer?
Jij (worden) later vast een goede dokter.Show answer
Jij wordt later vast een goede dokter.
Hoe oud (worden) u volgend jaar?Show answer
Hoe oud wordt u volgend jaar?
(Worden) het morgen mooi weer?Show answer
Wordt het morgen mooi weer?
Mijn ouders (worden) binnenkort opa en oma.Show answer
Mijn ouders worden binnenkort opa en oma.
Het (worden) al donker buiten.Show answer
Het wordt al donker buiten.
Ik (vinden) Nederlands een mooie taal.Show answer
Ik vind Nederlands een mooie taal.
Hoe (vinden) je mijn nieuwe jas?Show answer
Hoe vind je mijn nieuwe jas?