Skip to content
Dutch · Prepositions

Place & Direction: in, op, aan, bij, naar

Dutch prepositions of place often differ from English, so learn them together with the noun.

  • in: inside a space, a town or a country: in de koelkast, in Amsterdam, in de trein
  • op: on a surface and many fixed places: op tafel, op school, op het werk, op kantoor, op de markt
  • aan: attached to or right beside something: aan de muur, aan zee; aan tafel means sitting at the table to eat
  • bij: at someone's home, practice or employer: bij de huisarts, bij mijn ouders, bij de politie
  • naar: movement towards a place: naar huis, naar de tandarts
  • uit (out of, from a country), van (from a person, made of), met (with, by bike or train)

Tip: bij is where you are, naar is where you go: Ik ben bij de dokter (I'm at the doctor's) but Ik ga naar de dokter (I'm going to the doctor's).

Examples

  • Mijn broer werkt op kantoor in Utrecht.
  • Het eten is klaar, iedereen aan tafel!
  • Ik moet morgen naar de huisarts.
  • Ze komt uit Turkije en woont nu bij haar zus.
  • Mijn kinderen gaan met de fiets naar school.

Try it yourself

Mijn broer woont Amsterdam, vlak bij het Vondelpark.Show answer
Mijn broer woont in Amsterdam, vlak bij het Vondelpark.
Er staat geen melk meer de koelkast.Show answer
Er staat geen melk meer in de koelkast.
De kinderen spelen de tuin.Show answer
De kinderen spelen in de tuin.
Ik zit de trein naar Utrecht.Show answer
Ik zit in de trein naar Utrecht.
Wat staat er vandaag de krant?Show answer
Wat staat er vandaag in de krant?
Het eten staat al tafel.Show answer
Het eten staat al op tafel.
Mijn zoon zit nog de basisschool.Show answer
Mijn zoon zit nog op de basisschool.
Ik heb mijn telefoon het werk laten liggen.Show answer
Ik heb mijn telefoon op het werk laten liggen.
Hij werkt vandaag thuis, niet kantoor.Show answer
Hij werkt vandaag thuis, niet op kantoor.
Mijn zus woont de derde verdieping.Show answer
Mijn zus woont op de derde verdieping.