Skip to content
Dutch · Verbs in Past tense

Hebben or Zijn?

The Dutch perfect is hebben or zijn + past participle. Most verbs take hebben: Ik heb gewerkt (I worked).

Use zijn with:

  • verbs of change of state: worden, groeien, sterven, overlijden, vallen, beginnen, vertrekken, aankomen, opstaan, slagen, gebeuren, and kwijtraken even with an object: Ik ben mijn tas kwijtgeraakt (I lost my bag).
  • zijn and blijven: Ik ben thuis gebleven (I stayed at home).
  • gaan, komen and movement to a destination: Ik ben naar huis gegaan (I went home).

Movement without a destination takes hebben: We hebben een uur gefietst (we cycled for an hour). With a destination, zijn is usual, but hebben is also correct: Ik ben/heb naar huis gefietst.

Forms: ik heb / ben, jij hebt / bent, hij heeft / is, wij hebben / zijn. In questions, jij loses the -t: Heb je...? Ben je...?

Examples

  • Ik heb gisteren mijn moeder geholpen.
  • Mijn buurvrouw is vorige week oma geworden.
  • We zijn met de bus naar school gegaan.
  • Ze hebben de hele avond gezongen.
  • Hij is naar huis gefietst.

Try it yourself

Ik gisteren naar Utrecht gegaan.Show answer
Ik ben gisteren naar Utrecht gegaan.
Wij de hele dag gewerkt.Show answer
Wij hebben de hele dag gewerkt.
Ik gisteren een spannend boek gelezen.Show answer
Ik heb gisteren een spannend boek gelezen.
Mijn trein al vertrokken.Show answer
Mijn trein is al vertrokken.
Mijn opa vorig jaar overleden.Show answer
Mijn opa is vorig jaar overleden.
Wat er gebeurd?Show answer
Wat is er gebeurd?
Lisa de hele avond gedanst.Show answer
Lisa heeft de hele avond gedanst.
Ik gisteren thuis gebleven.Show answer
Ik ben gisteren thuis gebleven.
Jij vandaag veel gegeten.Show answer
Jij hebt vandaag veel gegeten.
Mijn zus dokter geworden.Show answer
Mijn zus is dokter geworden.