Skip to content
Dutch · Verbs in Past tense

Simple Past: Irregular Verbs

Irregular (strong) verbs do not add -te or -de in the simple past. They change their vowel: lopen → liep, zien → zag, schrijven → schreef, blijven → bleef.

The plural (wij, jullie, zij) adds -en, and the spelling adapts: zag → zagen, at → aten, las → lazen, gaf → gaven, nam → namen.

Some verbs change the vowel and end in -cht: denken → dacht, brengen → bracht, kopen → kocht, zoeken → zocht.

Learn the most frequent ones first:

  • zijn → was / waren, hebben → had / hadden
  • gaan → ging, komen → kwam, zeggen → zei, doen → deed
  • modal verbs: kon, mocht, moest, wilde (or wou), zou

worden → werd and vragen → vroeg are irregular too.

Examples

  • Gisteren ging ik met de trein naar Amsterdam.
  • Toen ik klein was, had ik een konijn.
  • Wij zagen een mooie film.
  • Hij kon niet komen, want hij was ziek.
  • Mijn moeder zei niets.

Try it yourself

Gisteren (zijn) ik de hele dag thuis.Show answer
Gisteren was ik de hele dag thuis.
Vorige week (zijn) wij in Parijs.Show answer
Vorige week waren wij in Parijs.
Als kind (hebben) ik een grote hond.Show answer
Als kind had ik een grote hond.
Gisteren (gaan) we naar de markt.Show answer
Gisteren gingen we naar de markt.
Gisteren (komen) mijn vrienden bij mij eten.Show answer
Gisteren kwamen mijn vrienden bij mij eten.
Ik (zien) je gisteren in de stad.Show answer
Ik zag je gisteren in de stad.
Wat (zeggen) hij gisteren tegen je?Show answer
Wat zei hij gisteren tegen je?
Wat (doen) jij gisteravond?Show answer
Wat deed jij gisteravond?
Ik (kunnen) gisteren helaas niet komen.Show answer
Ik kon gisteren helaas niet komen.
Gisteren (moeten) ik tot acht uur werken.Show answer
Gisteren moest ik tot acht uur werken.