Zum Inhalt springen
Niederländisch · Trennbare und reflexive Verben

Reflexive Verben: me, je, zich, ons

Reflexive Verben haben ein Pronomen, das auf das Subjekt zurückverweist: zich vergissen (sich irren), zich voelen (sich fühlen), zich haasten (sich beeilen). Das Pronomen richtet sich nach dem Subjekt:

  • ik → me (oder das stärkere mij): Ik vergis me.
  • jij und jullie → je: Voel je je beter? Jullie vergissen je.
  • hij, zij, het und Plural ze → zich: Hij verslaapt zich.
  • wij → ons: Wij haasten ons.
  • u → zich oder u: U vergist zich.

Das Pronomen steht direkt nach dem konjugierten Verb oder nach dem Subjekt in Fragen und bei Inversion (Herinner jij je dat nog?). Mehrere Verben fügen eine feste Präposition hinzu: zich verheugen op (sich freuen auf), zich ergeren aan (sich ärgern über), zich zorgen maken over (sich Sorgen machen um).

Beispiele

  • Ik voel me vandaag prima.
  • Herinner je je die film nog?
  • Hij vergist zich vaak in de datum.
  • Wij verheugen ons op het weekend.
  • Maakt u zich geen zorgen.

Jetzt bist du dran

Ik voel vandaag niet zo lekker.Lösung anzeigen
Ik voel me vandaag niet zo lekker.
Voel je vandaag al beter?Lösung anzeigen
Voel je je vandaag al beter?
Sorry, ik heb vergist.Lösung anzeigen
Sorry, ik heb me vergist.
Mijn broer verslaapt bijna elke maandag.Lösung anzeigen
Mijn broer verslaapt zich bijna elke maandag.
Wij verheugen op de vakantie.Lösung anzeigen
Wij verheugen ons op de vakantie.
Jullie hoeven geen zorgen te maken.Lösung anzeigen
Jullie hoeven je geen zorgen te maken.
Op zondagmiddag verveel ik vaak.Lösung anzeigen
Op zondagmiddag verveel ik me vaak.
Herinner jij onze eerste afspraak nog?Lösung anzeigen
Herinner jij je onze eerste afspraak nog?
Mijn oma herinnert alles van vroeger.Lösung anzeigen
Mijn oma herinnert zich alles van vroeger.
We moeten haasten, de trein vertrekt zo.Lösung anzeigen
We moeten ons haasten, de trein vertrekt zo.