Zum Inhalt springen
Niederländisch · Präpositionen

Pronominaladverbien: erop, eraan, waarmee

Wenn sich eine Präposition auf eine Sache oder eine Idee bezieht (nicht auf eine Person), sagt man im Niederländischen nicht op het oder aan dat. Stattdessen verwendet man er, daar, hier oder waar + die Präposition: erop, daaraan, hiermee, waarover. In einem Satz werden diese Wörter meist getrennt: er, daar, hier oder waar steht früh, und die Präposition wandert ans Ende, direkt vor die letzten Verben. Steht nichts dazwischen, werden sie als ein Wort geschrieben: erin, eraan.

  • Waar denk je aan? (Woran denkst du?)
  • Daar heb ik zin in. (Darauf habe ich Lust.)
  • Ik ben er blij mee. (Ich bin damit glücklich.)

Zwei Präpositionen ändern ihre Form: met wird zu mee und tot wird zu toe (ermee, nergens toe). Daar ist nachdrücklicher als er. Bei Personen bleibt ein normales Pronomen: Ik denk aan haar (Ich denke an sie).

Beispiele

  • Waar kijk je naar?
  • Daar heb ik nooit aan gedacht.
  • Hij praat er de hele dag over.
  • Ik ben ermee gestopt.
  • Hiermee kun je betalen.

Jetzt bist du dran

Waar denk je ? Aan je vakantie?Lösung anzeigen
Waar denk je aan? Aan je vakantie?
Waar heb je het ?Lösung anzeigen
Waar heb je het over?
Waar wacht je nog ? Op een taxi?Lösung anzeigen
Waar wacht je nog op? Op een taxi?
Waar ben je bezig?Lösung anzeigen
Waar ben je mee bezig?
Waar heb je dat geld nodig?Lösung anzeigen
Waar heb je dat geld voor nodig?
Waar gaat die film ?Lösung anzeigen
Waar gaat die film over?
Waar schrijf je ? Met een pen?Lösung anzeigen
Waar schrijf je mee? Met een pen?
Waar luister je ? Naar muziek?Lösung anzeigen
Waar luister je naar? Naar muziek?
Mijn nieuwe fiets? Ik ben er heel blij .Lösung anzeigen
Mijn nieuwe fiets? Ik ben er heel blij mee.
Een feestje op zaterdag? Daar heb ik wel zin .Lösung anzeigen
Een feestje op zaterdag? Daar heb ik wel zin in.