Zum Inhalt springen
Niederländisch · Verben in der Gegenwart

Aan het und zitten te: Laufende Handlungen

Niederländisch hat keine -ing-Form. Um zu betonen, dass etwas gerade jetzt passiert, verwendest du eines von zwei Mustern:

  • zijn + aan het + Infinitiv: Ik ben aan het werken. (Ich arbeite gerade.) Ein Objekt kommt vor aan het: Hij is de auto aan het wassen.
  • zitten / liggen / staan / lopen + te + Infinitiv, wenn die Körperhaltung Teil des Bildes ist: Oma zit een boek te lezen. De kat ligt te slapen. We staan op de bus te wachten. Hij loopt te fluiten.

Wähle das Verb, das zur Körperhaltung passt: auf einem Stuhl oder am Schreibtisch → zitten, im Bett oder in der Sonne → liggen, in einer Schlange oder am Waschbecken → staan, in Bewegung → lopen.
Nach ben / is / zijn brauchst du aan het; nach einem Positionsverb brauchst du te.

Beispiele

  • Wat zijn jullie aan het doen?
  • Ik ben een brief aan het schrijven.
  • Ze zit op het terras koffie te drinken.
  • De kat ligt in de zon te slapen.
  • Hij loopt de hele dag te fluiten.

Jetzt bist du dran

Wat ben je doen?Lösung anzeigen
Wat ben je aan het doen?
Stil, de baby te slapen.Lösung anzeigen
Stil, de baby ligt te slapen.
Ik ben koken, kom je zo eten?Lösung anzeigen
Ik ben aan het koken, kom je zo eten?
Opa zit in de tuin de krant lezen.Lösung anzeigen
Opa zit in de tuin de krant te lezen.
We al een half uur in de rij te wachten.Lösung anzeigen
We staan al een half uur in de rij te wachten.
De kinderen zijn buiten spelen.Lösung anzeigen
De kinderen zijn buiten aan het spelen.
Oma in haar stoel te breien.Lösung anzeigen
Oma zit in haar stoel te breien.
Het is regenen, neem een paraplu mee.Lösung anzeigen
Het is aan het regenen, neem een paraplu mee.
Papa ligt op de bank tv kijken.Lösung anzeigen
Papa ligt op de bank tv te kijken.
Ik 's nachts vaak in bed te piekeren.Lösung anzeigen
Ik lig 's nachts vaak in bed te piekeren.